Onze dirigent

Binnenkort een interview met onze
nieuwe dirigent Inge Roelands.

Een prettig gesprek met……

Wim Verkaik, (oud-)dirigent van het Hunzekoor

Wim Verkaik
Wim Verkaik

 Hij is enthousiast en gedreven. Muziek, en zang in het bijzonder, is een van zijn grote passies. Al meer dan 13 jaar staat hij als dirigent voor het Hunzekoor. De komst van zoveel nieuwe leden was aanleiding tot een interview en het resultaat vindt u hier op de website. Voor een beeld van de man achter onze dirigent. Senseo-koffie vindt hij ‘smerig’, dus als je op bezoek komt, word je gastvrij ontvangen met vers gezette, zelf gefilterde koffie. Dank je wel, Wim, voor het prettige gesprek op sinterklaasavond 2007.

Tekst: Gerdie Kienhorst.
Foto’s: Jan Trip.

 Vertel eens iets over je achtergrond?

‘Ik ben in de oorlog geboren, in 1943, in Amsterdam. Voel me geen Amsterdammer, hoor. Mijn ouders kwamen allebei van het platteland.
Mijn vader was groenteboer. Ik ben na HBS-B naar Delft gegaan en heb werktuigbouwkunde gestudeerd. Eigenlijk uit een belangstelling voor wiskunde, enthousiast geraakt door de leraar en geïntrigeerd door de logica van dat systeem. En met een vaag idee dat je vervolgens dan ook zo’n leraar zou kunnen worden. In de loop van de studie bleken er veel bredere mogelijkheden te zijn dan het leraarschap. Werktuigbouwkundig ingenieurs zijn mensen die overal nodig zijn waar dingen met grotere en kleinere precisie gemaakt worden. Ik kwam bij Philips terecht en heb daar jarenlang met veel plezier, met passie kun je zelfs zeggen, gewerkt. Eerst aan de ontwikkeling van de taperecorders (audio, video, data), en later aan de optische plaatsystemen,  waar de audio-cd en later de dvd de grootste toepassingen zijn. Geweldige tijd vond ik dat.’

_C053270A

‘In Delft heb ik Betty leren kennen en na mijn studie zijn we getrouwd, in 1968. Drie prachtige dochters hebben we. Ook allemaal muzikaal, maar de jongste, Willemijn, heeft er haar beroep van gemaakt. Daar zijn we erg trots op!’

 Hoe komt iemand met zo’n exacte aanleg nu bij de muziek terecht?

‘Het zat er bij mij al jong in. Bij ons allemaal trouwens. We waren met vier jongens en vijf meisjes thuis, en in ons christelijke gezin werd heel veel gezongen. (Lacht). Vermoedelijk ook omdat het een goede manier is om emoties te uiten! Mijn moeder speelde harmonium. We hadden het niet breed, dus muziekles zat er niet bij. Maar als we ergens onze handen op konden leggen, om er muziek uit te halen, dan deden we dat. Je was al heel blij als je met Sinterklaas een mondharmonica kreeg, of helemaal geweldig, een chromatische, waarmee je halve tonen kon maken. Muzikaal waren we allemaal.’

 _C053285

‘Muziektheorie heb ik uit mezelf geleerd. Ik was nieuwsgierig geraakt, door het zingen, naar hoe het in elkaar steekt. En ik was ook methodisch genoeg om het te ontrafelen. Eenmaal op dat pad vind je de juiste mensen, die je erover kunt vragen, en die wijzen je dan de weg naar de goede boeken. Als je maar vraagt, zoekt en leest kom je een heel eind, zeker als je het met het praktische zingen combineert. Maar in het algemeen ben ik wel breed geïnteresseerd, een generalist.’

 

En hoe zit het met de werktuigbouwer die fervent koorzanger werd?

‘Ik heb altijd enthousiast en met veel plezier in koren zongen. Het zingen ging me goed af en ik kreeg ook altijd te horen dat ik er goed in was. Tja, en dan loopt het zo, dat je bij steeds kleinere en professionelere ensembles gevraagd wordt, waar jouw stem steeds bepalender wordt voor de klank. Rond mijn 35e liep ik wat dat betreft tegen grenzen aan. Ik kwam terecht in een ensemble waar ik ondanks mijn enthousiasme, muzikaliteit en vaardigheid in de noten, domweg tekortkwam in stemkwaliteit, vergeleken met het professionele niveau van de rest. Dat was een erg moeilijke tijd voor me; ik zong zo graag en veel, de feedback was altijd geweest dat ik het ook goed kon, en plotseling leek het niets meer voor te stellen. Ik ben toen zangles gaan nemen, en moest zo ongeveer alles loslaten wat ik ontwikkeld had. En ik ben doorgegaan, hoe moeilijk ik het ook vond. Ik heb het probleem overigens opgevangen door steeds meer bariton te gaan zingen; dat klonk wel goed. Het kwaliteitsprobleem zat hem in het tenorbereik.’

‘Maar ik ben toen ook gaan nadenken. Ik zou hooguit een capabele zanger kunnen worden tussen andere, er zat naar mijn smaak te weinig progressiGerdie 1e in. Toen heb ik mijn ambities bijgesteld en besloten de uitdaging te zoeken in de koordirectie, in plaats van in het zingen. Zo kon ik toch met muziek bezig blijven, maar in een andere tak van sport.’

Waar heb je koordirectie geleerd?

‘Ik had natuurlijk ervaring met een breed koorrepertoire en ik had ook veel verschillende dirigenten meegemaakt en op hun stijl gelet. Wat ze deden, hoe ze het deden…. Het vak, dat moest ik nog wel leren. Hoe je werkt met een koor, dingen als stemkwaliteit, werken aan koorklank, het bereiken van een goede stemverdeling… Ik heb toen een Kurt Thomas-cursus gedaan. Een soort stoomcursus voor niet-conservatoriumgeschoolden in koordirectie. Tijdens die cursus had ik een koor, een katholieke Kantorij waarmee ik kon experimenteren. Dat koor vond het niet erg dat ik nog weinig ervaring had, en ik kon wat ik leerde in de cursus direct in praktijk brengen. Heel enthousiaste mensen waren dat, en ik heb er veel geleerd.’

_C053280A
Hoe kwam je van de regio Eindhoven in Spijkerboor terecht?

‘Bij een grote reorganisatie bij Philips begin jaren negentig moest ik weg. Op mijn 48e, een moeilijke tijd om weer iets anders te doen. Ik heb toen een baan in het onderwijs gezocht, op het HBO. Dat bleek in de regio Eindhoven niet eenvoudig. We hebben steeds bredere kringen getrokken. Als het dan Groningen moest worden, dan maar verhuizen. Ik heb vervolgens 12,5 jaar, tot aan m’n flexibel pensioen, met veel plezier als docent werktuigbouw aan het HBO in Groningen gewerkt.’

En toen kwam het Hunzekoor op je pad…

‘Inderdaad. Van de vorige uitbater van café ’t Keerpunt, Jan Essendaal, hoorde ik dat het Hunzekoor op zoek was naar een dirigent, ze hadden toen een interim. Het koor was toen veel kleiner dan nu, en ik ben sinds 1995 dirigent geweest. Toen ik kwam zongen ze van alles, operette, Mozart, maar ook Drentse volksliederen.’

Wat vind je leuk aan het koor?

‘Het allerleukste, en ook het allerbelangrijkste vind ik dat mensen enthousiast zijn. Tuurlijk zou het heerlijk zijn om met heel professionele zangers te werken – maar als het enthousiasme ontbreekt, zou ik het niet volhouden. Ik heb liever enthousiaste amateurzangers dan professionele zonder enthousiasme! Het is bij het Hunzekoor heel uitdrukkelijk aanwezig. Plus een soort eagerness om nieuwe dingen uit te proberen. Tegenwoordig kan ik een nieuwe stemverdeling maken, en in meer talen zingen. Ik ben ontzettend blij dat het kan. En ik ben ook blij met het bestuur dat dit soort dingen bevordert. En ook ieders talenten waardeert en ruimte geeft.’

Hoe kijk je tegen de ontwikkeling van het koor aan?

‘De ontwikkeling is geleidelijk gegaan. We zijn gegroeid van een lokaal dorpskoor naar een interlokaal koor. Dat geeft een bredere vijver om in te vissen. Die ontwikkeling is niet altijd even begrijpelijk of leuk voor de oudgedienden geweest, maar degenen die gebleven zijn, hebben die slag wel gemaakt.’

_C053263A

‘Toch  hebben we ook wel eens problemen gehad. In 2005  had ik bijna het bijltje erbij neergegooid. Het bestuur had een ander visie dan ik, zong zelf ook niet. We waren eigenlijk uit elkaar gegaan, toen een aantal koorleden wilde bemiddelen omdat niet iedereen erover dacht zoals het bestuur. Er kwam een nieuw bestuur, en sindsdien hebben we afspraken gemaakt over de gang van zaken. Dat is terugkijkend, vind ik, goed voor het koor geweest.’

‘Ik heb het intussen heel erg naar mijn zin in het koor. Da’s ook een wisselwerking met het enthousiasme dat ik bij de leden voel.’

Hoe bevalt je onze grote uitbreiding van dit seizoen?

‘Ik vind het heel prettig. Het koor wordt er minder kwetsbaar door, in de zin dat je kunt doorwerken als er op een repetitie mensen ontbreken. En het wordt er helemaal niet minder flexibel op, of logger, wat je misschien zou verwachten.’

Wat is er op het moment lastig?

‘Dat het koor veel moeite heeft met tegelijk zingen en tellen. Eigenlijk moet je onder de muziek de tactus in je hoofd hebben, een soort ingebouwde metronoom. Pas dan kun je ervan afwijken, en dat maakt de muziek spannend. Die tactus moet kunnen ademen, breder worden gespreid of juist sneller gaan, maar ja  dat kan alleen als mensen die tactus voelen…. We merken het bijvoorbeeld bij Innsbruck, ich muss dich lassen.’

 Mij valt de grote diversiteit in repertoirekeuze op. Van Dowland, Keltische melodieën, Stephen Foster, en dan weer socialistische strijdliederen. Waar haal je dat vandaan?

‘Voor een deel is het je ervaring en repertoirekennis. Ik heb zelf veel gezongen en veel repertoire in mijn hoofd waar ik een beeld bij hebt. Je hoort iets, en je denkt, o ja, die Stephen Foster, kan ik daar eens wat meer van nazoeken. En dan komt er een stuk vakmanschap om de hoek kijken. Hoe je de composities leuk kunt maken, hoe je de dingen aan het koor aanpast. Ook met dingen die we net wel, of net niet meer aankunnen. Ik probeer ook altijd iets te kiezen wat tegen de grenzen aan zit. Die uitdaging moet er blijven.’

Wat zou je uit het repertoire van de afgelopen jaren nog eens over willen doen, met het koor zoals het nu is?

‘Dowland, zonder twijfel. We zongen dat net voor de moeilijkheden waar ik het over had, optraden, en ik vrees dat het elkaar heeft versterkt. Daardoor hebben we Dowland niet helemaal eer aan gedaan. Hij verdient een herkansing, vind ik. Maar misschien is het daarvoor nog te vroeg.’

Waarom plan je het eigenlijk altijd zo, dat de moeilijkste stukken pas na de kerstvakantie komen?

‘Dat is tactiek. Ik wil graag zo snel mogelijk dingen hebben om te herhalen, zodat je iedere repetitie kunt afsluiten met iets dat we al kennen. Anders wordt het in het begin de hele avond alleen “noten vreten”.Bovendien moet er repertoire gereed zijn voor de decemberuitvoering.’

Speel je zelf een instrument?

‘Ja, ik heb een enorme passie, sinds ik er op mijn 12e mee begon, voor de Great Highland Bagpipe. (Zeg niet: doedelzak). Ik heb daarom ook altijd veel met de Angelsaksische cultuur gehad, ook wel gevoed omdat ik veel in Ierland, Engeland en Amerika ben geweest. Ik speel nog steeds in een pipe band, in Groningen. Nadat ik docent-af was, heb ik zelf nog een half jaar Keltologie gestudeerd uit belangstelling. En ik bestudeer nu, uit belangstelling voor de taal, het Schots-Keltische Gaelic.’ En daarmee is ook het “Le deagh dhùrachd’’ als afsluiting van Wims e-mails verklaard: de beste wensen.

Wat is de laatste cd die je aangeschaft hebt?

‘Het meeste kopieer ik tegenwoordig, maar de laatste die ik heb gekocht, was een cd met Schotse Gaelic songs. Meer vanuit de belangstelling voor de taal dan voor de muziek.’

Heb je nog tijd om te lezen?

Onnodig te vragen. Op de leuning van de bank ligt het laatste deel van de Harry Potter-cyclus op z’n kop. ‘Heerlijk, die ongebreidelde fantasie en de taalvondsten in het boek. Geweldig!’.

Verder blijken we een gemeenschappelijke belangstelling voor geschiedenis te hebben. Wim heeft een fascinatie voor de geschiedenis van de Eerste Wereldoorlog, en is geboeid door de Europese geschiedenis in het algemeen. Hij heeft er ook veel over gelezen. We zouden nog uren kunnen praten over de verdiensten van Barbara Tuchman, over de serie In Europa, over hoe het Geert Mak lukt de belangstelling voor geschiedenis weer te doen toenemen. Of over het mooie standaardboek over de Europese geschiedenis van Norman Davies, dat hij, net als ik, in de kast heeft staan. …… Met de belofte dat ik nog een paar boeken op dit gebied voor hem zal meenemen, nemen we afscheid. Het was een mooi gesprek.